Fiets

Ze schuifelt mee met de drukke mensenmassa het station uit. Op weg naar het grote plein voor het station waar haar fiets staat. Ze is moe. Haar rugzak voelt zwaar. Op haar werk was het hectisch en ze is blij dat ze even kan uitwaaien. Het plein staat helemaal vol met fietsen alsof nog niemand na zijn werk zijn fiets heeft opgehaald. Nog nadenkend over haar werk loopt ze naar de plek waar ze haar fiets vanochtend heeft gezet. Hij staat er niet. Waarschijnlijk staat hij iets meer naar achteren op het plein, daar is meestal ’s ochtends nog plek. Ook daar staat haar zwart-witte fiets niet. Ze wordt ongeduldig. Waar is hij? Opeens ziet ze haar fiets. Helaas past het sleuteltje niet op deze, ook zwart- witte, fiets. Het begint te regenen. Eerst zachtjes, maar dan opeens is er een flinke plensbui. Ook dat nog. Haar regenponcho zit in haar fietstas. Ze loopt weer een rondje over het plein. Misschien is hij gestolen? Eerlijk gezegd denkt ze dat ze gewoon niet meer weet waar ze hem gezet heeft. Besluiteloos staat ze aan de rand van het plein. Er stopt een auto met daarin een knappe, oudere man, keurig in het pak. “Ik zag u zoeken, kan ik u soms een lift aanbieden?” Het klinkt aanlokkelijk, maar ze hoort de stem van haar moeder: ”Nooit zomaar met vreemden in een auto mee gaan.” De man stapt uit, stelt zich voor en vraagt waar ze woont. Als ze haar woonplaats noemt zegt hij: “Daar woon ik vlak bij, ik breng je wel even thuis.” Geen u meer en een charmante lach. Ze aarzelt, maar stapt in, het regent steeds harder. Onderweg praten ze ongedwongen over elkaars werk. Ze ontspant. Best prettig zo’n warm en droog ritje naar huis. Als ze haar woonplaats inrijden, legt de man achteloos zijn hand op haar dijbeen. “Ik weet een leuk cafétje, ga je mee even een glaasje drinken?” Ze schrikt en denkt snel na. ”Nee, sorry, ik moet mijn zoontje nog van de crèche halen en anders kom ik te laat.” Ze bloost, ze kan nooit goed liegen. ”Zo’n jonge knappe vrouw en dan al een kind?” Hij schuift met zijn hand over haar dijbeen naar boven. De vlammen slaan haar uit. “Stommerd”, hoort ze haar moeder. Niet ver van haar huis staat het stoplicht op rood. Ze duwt zijn hand weg, pakt haar rugzak en terwijl ze de deur van de auto open gooit roept ze: “Bedankt, ik woon hier vlakbij, het laatste stukje loop ik wel!” Het stoplicht staat nog op rood als ze snel haar straat in holt. Ze kijkt nog even om, geen auto te zien. Ze gaat haar schuur in. Binnen leunt ze hijgend tegen de deur. Vlak voor haar staat haar vertrouwde  zwart-witte fiets.

EN

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone