Anthurium

Langzaam loopt ze de huiskamer in terwijl ze haar naambordje op haar bloes spelt. Ze schudt haar haren naar achteren en terwijl ze dat doet valt haar blik op het boeket dat op de tafel staat. Even staat ze stil om aandachtig naar die ene bloem te kijken. Triomfantelijk boven de andere bloemen uit is ze daar. Haar rode rug glimt. Zo vanuit deze hoek bekeken lijkt ze op een vurige rode maan omringt door blauwpaarse sterren aan haar voeten.

Het zit Annemiek dwars dat de bloem met haar rug naar haar toegekeerd is. Ze loopt naar het boeket toe en vanaf de zijkant lijkt de bloem nu op een felrood hart. Dit doet haar herinneren aan haar trouwdag, nu al weer 25 jaar geleden. Haar man, Frank, gaf haar een prachtig bruidsboeket met haar favoriete bloem, de Anthurium. Drie knalrode bloemen omringt door kleinere witte Anthuriums omvat in grote glanzende groene bladeren. Annemiek ziet het beeld voor haar, Frank, met één been geknield op de grond, het boeket in zijn handen. “Voor jou, lieve schat. Deze bloem geeft jouw exotische schoonheid weer en de witte bloemen staan voor je ogen die altijd stralen. Ik hou van jou met heel mijn hart en wil bij jou zijn tot de dood ons scheidt.” Ook nu schieten de tranen van ontroering in haar ogen. Snel veegt ze haar tranen weg.

Ze haalt de bloem uit het boeket. Aandachtig kijkt ze naar haar, het rode schutblad met de gouden aar in het midden. In 1876 ontdekte de Franse botanicus Eduard André de plant in Zuid Amerika en bracht haar naar Europa. Sindsdien zijn er vele variëteiten van deze tot de aronskelkfamilie behorende exoot gekweekt.

Elk jaar op hun trouwdag gaf Frank haar een boeket Anthuriums, altijd de originele, de rode omringt met witte kelken.

Een andere herinnering schiet haar te binnen. De stilte in de kamer is doordringend. Annemiek staat naast de witte kist. Haar ene hand rustend op het deksel en haar andere hand omklemt een rode Anthurium. Ze staart naar het witte gezicht, het donkere haar naar achteren gekamd. Iets wat niet echt klopt. De vorm van de mond is nog steeds hetzelfde. Zou ik hem mogen kussen?, vraagt ze zich af. Hij ligt zo mooi rustig. Ze legt de vuurrode bloem tussen zijn handen, streelt zijn wang en zachtjes geeft ze Frank een kus op zijn zachte lippen. De hartvormige exotische bloem straalt haar tegemoet als symbool van hun onmetelijke liefde voor elkaar.

Annemiek wil niet meer denken aan de plotselinge dood van Frank. Dat geeft te veel pijn in haar hart. Op één of andere manier pakte ze draad van haar leven weer op. Ze besloot als zorgvrijwilligsters bij het hospice te werken. Daar is ze nu. Na haar overpeinzingen plaatst ze de Anthurium terug in de vaas, nu met het gezicht naar de deur van de huiskamer. Iedereen ziet bij binnenkomst de pracht van de bloem. De exotische schoonheid die de krachtige persoonlijkheid van Frank weerspiegelt. De bloeikolf vier omhoog, beschut door rode schutbladen als glimmende reflecties van een mooi en gepassioneerd leven samen.

 

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone

Het is niet wat het lijkt

De purser van het Transavia vliegtuig roept om dat de daling inmiddels is ingezet en verzoekt de reizigers de handbagage op te ruimen, de stoel recht op te zetten en de gordel om te doen. De daling doet mijn oren knappen door het verschil in luchtdruk. Ik ben blij dat we er bijna zijn. Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn angst. Ik weet dat het eiland klein is en de landingsbaan kort. Het woord eiland is misschien zelfs wel te groot voor iets dat een deel van een vulkaan is, ergens  in de Middellandse zee. Voordat je het weet, schuif je met je medepassagiers de zee in.

Het is eind september en eindelijk hebben Joost en ik tijd om op vakantie te gaan. Acht dagen op een vulkaan. Drie kleine dorpjes liggen geplakt op de helft van een kraterrand. De andere helft is verdwenen in de zee. In het midden is de vulkaankrater gevuld met zwart lava, een geur van zwavel en overal kleine rookpluimpjes. Dit is het beeld dat ik voor ogen heb na het lezen van de informatie over het eiland.

De piloot laat het vliegtuig zachtjes landen op de grond. Een aantal passagiers zucht van opluchting. Zij zijn hier misschien al eerder geweest en kennen de korte landingsbaan. Ik verlang ernaar om uit te stappen en dan eindelijk is het zover. Ik voel de warmte van de zon, die hoog aan de hemel straalt en ik geniet nu al van de dagen die komen.

We hebben een korte busreis naar het hotel en checken in bij een charmante receptionist. Hij glimlacht breed en geeft ons de sleutel van de kamer. Hij vraagt ons in het Engels of wij bezwaren hebben met een ‘more exclusive room’. Dat hebben we niet en tot onze verrassing krijgen we een zeer mooie kamer, met een eigen terras en een jacuzzi, die al voor ons aan staat. De damp van het water kringelt omhoog en roept ons om plaats te nemen in het bad. Eerst uitpakken en het dorp verkennen op zoek naar wat eten.

We lopen over een steile weg naar beneden naar het dorp. Onderweg passeren we witte huisjes, die schitteren in de zon. We naderen het centrum van het dorpje en tot onze verbazing ligt midden in het dorp een braakliggend stukje grond. Op het stukje grond staat onkruid. Verdorde takken steken zielig uit de grond. De aarde is grijs en in de grond hebben zich diepe groeven gevormd. Een gevolg van gebrek aan water en de verzengende hitte van de zomer die bijna voorbij is. Hier groeit niets concludeer ik. Zelfs geen druivenrank. Samen met Joost filosoferen we over wat we kunnen doen met dit stukje grond. Joost vindt dat er een hotel moet komen. Ik voel meer voor een bed & breakfast. De locatie is perfect, midden in het dorp. Al dromend over ons nieuwe project komen we bij een restaurant aan en genieten van een heerlijke Griekse lunch en drinken hierbij de lokale wijn van het eiland.

Het restaurant bevalt ons zo goed dat we er regelmatig eten. De weg omhoog terug naar het hotel is soms uitdagend na het gebruiken van de lunch en de heerlijke lokale wijn. Elke keer dat we naar het restaurant lopen, komen we langs het braakliggende land. Ik ben verbaasd dat dit stuk land onbebouwd is. Hier kan grof geld verdiend worden, mijmer ik.

Een paar dagen later bezoeken Joost en ik een wijnproeverij van lokale wijnen op het eiland. We hebben voor twee dagen een auto gehuurd en zijn van de ene kant naar de andere kant van de kraterrand gereden. Onderweg heb ik geen enkele wijnrank gezien. Ik ben in Frankrijk, Duitsland en Spanje geweest en ik weet hoe een druivenstruik eruit ziet. Zelfs in een tuincentrum herken ik de druivenstruik.  Ik ben erg nieuwsgierig waar de wijn dan vandaan komt.

De eigenaar van de wijnproeverij biedt ons verschillende lokale wijnen aan. Eén wijn springt eruit. De man is enthousiast over deze wijn en vertelt vol trots dat deze wijn een unieke smaak heeft. Jaarlijks exporteert het eiland slechts 6.000 flessen van deze goden wijn. De wijn geniet een wereldbekendheid en is een tikkeltje aan de dure kant. Nog steeds begrijp ik er niets van. Waar zijn de druivenstruiken.

De eigenaar legt uit wat er zo speciaal is aan deze wijn. De grond van dit eiland bevat lava, ijzer en as en geeft de wijn haar typische geur en smaak. De Assyrtiko wijnstokken zijn in een emmervorm geleid en beschermen op deze manier de druiven tegen de felle zon en de zoute zeewind. De wijnstokken zijn ca. 300 jaar oud en al ver voor Christus geplant op het eiland, geheel vrij gebleven van druifluis of wat dan ook.

Dan heel langzaam begint het kwartje bij mij te vallen. Ik stoot Joost aan. Joost, dat braakliggend stukje grond waar dat onkruid op staat. Ik schiet in de lach. Dit onkruid is het meest kostbare op het hele eiland en zijn de beroemde Assyrtiko wijnstokken waaraan de druiven groeien die de basis vormen van de meest speciale wijn van Griekenland, Assyrtiko wijn uit Santorini.

Hester Hoornstra

 

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone

Bloody Mary

Behendig springt hij op de fiets en rijdt zonder uit te kijken de straat uit. Het is een stille straat en hij weet inmiddels na al die jaren dat er nauwelijks verkeer is. Het miezert en de regen laat de straatstenen glimmen en glinsteren van de nattigheid. Om vaart te maken buigt hij zich voorover met zijn billen naar achteren, zijn knieën licht gebogen. Hij vindt het heerlijk om zo snelheid te maken. Alfred, of Freddie, zo noemde zijn moeder hem, heeft nauwelijks aandacht voor zijn omgeving. De statige herenhuizen aan weerszijden van de straat kent hij tot in de details. Niet interessant meer. Aan het einde van de straat gaat hij rechtsaf. Dat kan bijna niet anders. Er zijn twee keuzes, links of rechtsaf. Alfred rijdt richting het park en gaat dan linksaf. Hij is op weg naar zijn lievelingskroeg, ‘De Zoete Inval’. Elke zaterdag bezoekt hij zijn stamkroeg. Hij kent de kroegbaas van vroeger. Zij zijn beiden even oud. De kroegbaas heet John. Hij heeft lang grijs haar dat hij los draagt tot op zijn schouders. Een kalende kruin en een snor die net als de snor van Dali omhoog wijst naar zijn oren. Onder zijn mond een grijs sikje. John doet zich voorkomen alsof hij van sjieke komaf is, maar dat is niet zo. Hij heeft in zijn jonge jaren in de haven gewerkt als arbeider, lossen van containers en zo. Precies weet Alfred het niet meer. De kroeg heeft hij per toeval ontdekt. Op een avond stappen met vrienden van de studenten sociëteit sloten zij hun avond af in ‘De Zoete Inval’. Hij raakte met John aan de praat en er was direct een klik. John gaf hem een ‘Bloody Mary’ te drinken en vertelde over de oorsprong van de naam van het drankje. “Dat was pas een wijf, Alfred. Een vrouw die over Engeland regeerde en protestanten vermoordde om hun geloof. Vandaar de naam Bloody Mary[1].” John vertelde verder: “Op plaatjes is Mary afgebeeld met een diep decolleté, een kanten randje om haar borsten. Uitdagend. Dat herinner ik me als enige van de geschiedenislessen en het boek waarin de afbeelding stond.”

Na zijn studie stopte Alfred met stappen. Soms had hij heimwee naar het stappen met zijn vrienden. Stiekem droomde hij over Bloody Mary zoals John haar beschreef.

Na zijn studie Medicijnen werkte hij als medisch specialist in het laboratorium van het TNO/R.I.V.M. instituut in Bilthoven. Hij studeerde verder en werd uiteindelijk Hoogleraar, met als specialisatie de papegaaienziekte, een vorm van longontsteking overgebracht door parkieten en papegaaien. Een eenzame baan waarin hij een vooraanstaande positie had in zijn onderzoek naar de ziekte. Het solistische karakter van het werk beviel hem. Soms gaf hij voordrachten en colleges aan studenten. Dat was voor hem minder boeiend.

Alfred houdt niet van mensen. Dit is al heel zijn leven zo. Hij weet niet op welke manier hij contact kan maken en mensen diep in de ogen kijken durft hij niet. Hij kijkt dan snel weg en voelt zich ongemakkelijk. Tot een relatie is het niet gekomen. Met zijn bril met jampotglazen en zijn lange slungelige lijf voelt hij zich opgelaten en ronduit lelijk.

Zijn vader overleed op jonge leeftijd, hij was toen 9 jaar. Alfred is altijd bij zijn moeder blijven wonen. Samen met haar leidde hij een vreedzaam en rustig leven. Zijn moeder was zijn hulphond. Zonder haar wist hij niet wat te doen. Zijn moeder zorgde goed voor hem. Het avondeten stond precies om zes uur voor hem klaar. Zijn moeder waste zijn kleding en legde deze ’s avonds op zijn bed voor de volgende ochtend. Bij de paar belangrijke gebeurtenissen in zijn leven nam hij haar mee. Zij zorgde ervoor dat er geen onverwachte dingen gebeurden. Precies goed, zoals hij het prettig vond. Twee jaar terug overleed zijn moeder, vrij plotseling. Alfred zette zijn leven voort zoals hij dat leerde van zijn moeder.

Alfred’s grootste droom is een motorfiets. In 1961 kwam er een sprintmotorfiets op de markt, genoemd naar Bloody Mary. Deze motor had een Harley Davidson frame en een Chevrolet motor. Hij hield van het hard ronkende geluid van de motor. De motor was te koop in de kleur rood en hij stelde zich voor hoe hij op deze stoere Bloody Mary stapte en met hard ronkend geluid wegreed, de straat uit, de wijde wereld in. Hij was 15 jaar en nog te jong voor een motor en zijn moeder gaf hem in plaats van een ‘Bloody Mary’ een fiets cadeau, een rode mountainbike. Dat was veiliger dan een motor. Een compromis van zijn moeder tussen een gewone fiets en de zo door Alfred gewenste motor.

Zijn leven samen met zijn moeder was er één van regelmaat, rust en reinheid. De drie R’en zoals zijn moeder hem leerde. “Heel belangrijk, Freddie”, zei ze dan en zette hierbij grote ogen op en een stak een waarschuwend vingertje op. Haar haren waren strak naar achteren in een klein knotje weg gestoken en haar woorden kort en bondig. Samen leven vonden ze prima. Zijn moeder wilde dat hij bij haar bleef en dat beloofde hij haar. Vrouwen waren onbetrouwbaar en schandelijk in hun bloesjes waar de bollingen van hun borsten net te zien waren. Ze sprak haar afschuw uit over de te korte rokken, de ‘smokey-eyes’, de rode lippen en hun uitdagende houdingen. Eens was hij verleid door zo’n vrouw. Hij vond het spannend en de opwinding vibreerde door zijn lijf. Gevoelens die hij niet kende. De jonge vrouw raakte hem aan, ook op plekken waar zijn moeder hem, toen hij klein was, voor het laatst had aangeraakt. Dat was om te wassen en nu? Hij was in de war en angstig. De waarschuwing van zijn moeder hoorde hij in zijn slimme brein. Snel was hij weg gegaan met zweet in zijn handen, in paniek en de opwinding nog natrillend in zijn lijf.

Na het overlijden van zijn moeder twee jaar terug kocht hij een helm. De verkoper in de fietsenwinkel liet hem verschillende helmen zien. Hij koos voor de meest veilige. Eentje die ook wielrenners droegen. De helm leek nog het meest op een groot ei, met snelheidsstrepen. Hij koos voor een rode helm. Nu overkwam hem niets meer.

De regen stopt en hij arriveert bij zijn stamkroeg. Soms hindert de lange jas hem op de fiets. In een korte jas voelt hij zich ongemakkelijk. Eens had hij een korte jas. Dat was in zijn pubertijd. Meisjes keken naar hem en wezen naar zijn magere, knokige benen. Hij voelde zich gekwetst en lelijk. Sindsdien draagt hij lange jassen. Behendig springt hij van zijn fiets af en loopt door de open deur de kroeg binnen. Hij begroet John en weet dat hij binnen vijf minuten zijn drankje krijgt. Het is druk in de kroeg. Er zit een gezelschap van zeven mensen aan twee tafeltjes. De mannen drinken Brugse Zot[2] en de dames witte wijn. Ze lachen luid en maken wilde gebaren. Hij vindt het vervelend en gaat voorin de kroeg zitten met uitzicht op de straat. Naast hem zit een jonge vent en ze raken aan de praat over de gebeurtenissen in de wereld. Dit vindt hij een prettig gesprek. Een heerlijkheid om de wereldse problemen uiteen te rafelen en hij geeft gratis en voor niets zijn filosofische mening. John komt aanlopen met zijn drankje. Alfred geeft John een hand en dan is hij gerustgesteld. De enige kameraad die hij heeft. John zet het glas met het rietje voor Alfred neer en dan drinkt hij zijn Bloody Mary, één glas meer niet. “Overdaad schaadt, Freddie”, hoort hij zijn moeder zeggen.

Dan wenkt hij naar John en John neemt het pin apparaat mee. Hij weet dat Alfred wil pinnen en zoals altijd helpt hij Alfred met het insteken van de bankpas en het invoeren van de pincode. Dan neemt hij afscheid van John en de jonge man. Hij loopt naar buiten en zet voorzichtig zijn helm op. Hij springt behendig op zijn fiets. Ook nu kijkt hij niet uit. Hij begint op zijn eigen manier snelheid te maken. De straatstenen zijn nog glimmend nat van de regen. Nu is Alfred op snelheid en hij trapt nog een tandje sneller. Hij houdt ervan om snelheid te maken, nog sneller. Zo snel als de ‘Bloody Mary’, haast roekeloos. De spanning in zijn lijf stijgt door de adrenaline. Opeens kan hij niet meer zo snel. Het lijkt wel of zijn wiel stagneert. Alfred probeert door te trappen. Het zweet breekt hij uit, paniek giert door zijn lijf. Hij kijkt omlaag, naar achteren. Hij ziet dat een punt van zijn lange jas in de spaken is komen te zitten. Hij slingert en probeert af te stappen. Hij hoort een auto toeteren. Omstanders schreeuwen: “Kijk uit!” Alfred voelt hoe hij valt.

Hij ziet een klok aan de muur, het is vier uur ’s middags. Alfred voelt zich suf, draaierig in zijn hoofd. Langzaam kijkt hij om zich heen en ziet naast hem een zak hangen. Vanuit de zak loopt een slangetje naar zijn hand. “Dit is een infuus”, denkt Alfred. “Waar ben ik? In het ziekenhuis?” Dan hoort hij bliepjes en hij kijkt naar rechts. Een groot scherm hangt naast hem en hij registreert dat de bewegende gekleurde lijntjes zijn bloeddruk weergeeft. “Ah, bent u uitgeslapen?”, vraagt een verpleegkundige vriendelijk, die Alfred wakker ziet.  “Hoe lang ben ik hier al? Enne wat is er gebeurd?” vraagt hij. “U hebt een ongeluk gehad met uw fiets en bent geraakt door een auto. U hebt geluk gehad, echt geluk. Nu hebt u een gescheurde milt, een paar botbreuken en een hersenschudding. Als gevolg van de hersenschudding lag u in coma, al twee weken. En gelukkig bent u nu wakker.” Alfred is verbaasd en geschrokken. “Zo lang in coma!” Hij is in de war en langzaam, heel langzaam, komen de herinneringen terug…. De valpartij, de natte straatstenen, omstanders die waarschuwen en het gierende piepen van de remmen van een auto. Het had heel ernstig kunnen aflopen.

Het herstel van Alfred’s botbreuken verloopt gestaag. Hij heeft alle tijd om over zijn leven na te denken. Het vroege overlijden van zijn vader. Hij was toen 9 jaar oud. De strikte opvoeding van zijn moeder en al haar waarschuwingen voor de gevaren in de wereld en in het leven. Alfred begint vraagtekens te zetten bij de boodschappen van zijn moeder. Hoe komt het dat hij geen vrouw en gezin heeft. Dat intimiteit hem beangstigt en dat zijn wereld zo klein is. “Het kan toch anders?”, vraagt hij zichzelf af. Hij besluit een andere koers te varen. Alfred besluit zich open te stellen voor nieuwe uitdagingen.

Zodra het kan, springt Alfred nog niet zo behendig op zijn fiets. Hij verlangt naar John en wil hem zijn nieuwe plannen vertellen. Snel fietst hij naar zijn vertrouwde kroeg ‘De Zoete Inval’. John begroet hem blij en verrast. Hij miste Alfreds wekelijkse bezoek. Van een bekende hoorde hij dat Alfred een ongeluk had met een auto. Deze had alles gezien. John brengt Alfred snel zijn drankje, de Bloody Mary. “John”, zegt Alfred, “ik heb nagedacht. Ik ga mijn leven anders inrichten. Ik ben nog te jong, bijna 70, om alleen thuis te zijn. Ik mis een maatje, een vriendin. Ik heb mijn “Bloody Mary’s” gemist. Het is nog niet te laat om een motor aan te schaffen. En het is nog niet te laat om een relatie aan te gaan met een vrouw met mooie rondingen. Vind je niet?”, vraagt hij John. John grijnst een mooie lach en de punten van zijn snor reiken tot ver voorbij zijn oren. “Zeker, het is nog niet te laat! Het is nooit te laat om te veranderen!”

Hester Hoornstra

IJsselstein, 4 januari 2016

 

[1] Maria Tudor, Koningin van Engeland (* 18-02-1516 – + 17-11-1558). Bijnamen ‘de Katholieke’ en ‘Bloody Mary’
[2] Een Belgisch speciaal bier

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone

Het uiterste puntje

De zon glinsterend in de spiegel van de auto. Jessica kijkt enigszins verveeld uit het raam. Ze friemelt met haar vingers en ziet buiten de bomen bewegen in de wind. Haar doel van vandaag is om naar het uiterste puntje van Kreta te rijden. Met het uiterste puntje van Kreta bedoelt Jessica de noordwestelijke punt. Haar onuitputtelijke drive om voortdurend op eilanden de uiterste punten op te zoeken, drijft Manfred tot wanhoop. Vaak is het een eind rijden vanuit de accommodatie waar ze verblijven. Hij is meestal de chauffeur. Nu ook weer. Na al die jaren is hij vermoeid geraakt. Het werk slokt hem op. Het bedrijf waar hij werkt is een overheidsinstelling. Nu heeft hij een jonge ondernemende manager die zijn medewerkers opjaagt om tot betere resultaten te komen. Dat is hard werken. Hij zucht….

“Laten we hier stoppen”, deelt Jessica mee. De eerste stop is bereikt. Manfred parkeert de auto op een verlaten parkeerterrein, vlak bij het strand. Hun vakantie valt in het naseizoen en de meeste toeristen zijn al lang aan het werk. Jessica stapt uit en de wind rukt aan de autodeur. Met moeite houdt ze de deur in bedwang. De wind waait hard, bijna stormachtig en brengt warmte met zich mee vanuit Afrika. Het zand waait op in een cirkelende beweging. De zandkorrels zandstralen haar huid. Ze ziet kleine witte koppen op de golven. “Laten we hier even wandelen over de boulevard. Misschien zijn er winkeltjes.” Weer zucht Manfred. Niet hardop, nee, vooral niet hardop. Shoppen is ook Jessica’s ding. Meestal loopt hij gelaten mee, winkel in winkel uit en draagt haar aankopen. Jessica is teleurgesteld. Een enkele souvenirwinkel, gesloten inmiddels. Manfred haalt opgelucht adem.

Even verderop is een restaurant aan het strand en de zee. Jessica en Manfred gaan zitten aan een tafeltje. Jessica kijkt om zich heen en ziet naast haar een tafeltje met een oudere vrouw. Het tafeltje daarnaast is bezet door een andere oudere vrouw. Beiden op leeftijd prikkend in hun gezonde Griekse salade. Een karaf met water ernaast. Manfred bestelt een halve liter lokale rosé. In stilte drinken ze de wijn op.

Dan staan ze op en lopen dezelfde weg terug. De restaurants en een hotel zijn gesloten. De inventaris staat achter het glas, eenzaam opgesloten. De wind waait nog steeds hard. Een uithangbord met ‘FOR SALE’ erop geschreven slaat tegen de pui aan.

Verder gaat de reis naar het uiterste noordwestelijke puntje van Kreta. De weg eindigt in een T-splitsing en Jessica commandeert: “rechtsaf”. De laatste huizen en dan stopt ook de asfaltweg. Manfred zucht opnieuw en kauwt zijn irritatie weg. De weg gaat over in een hobbelige weg. “Oh, God,” denkt hij, “waar gaan we nu weer naar toe”. De heuvels links van hen zijn kaal, de weg is gevuld met gaten en keien. “Op weg naar de hel”, denkt Manfred. Ach ja, zijn huwelijk is ook een hel. Misschien wel een begrensde hel….. De machteloosheid breekt hem op. Het lijkt wel of hij niet weg kan uit dit huwelijk. Hij zou niet weten hoe. Dat is hij inmiddels vergeten, lijkt het wel. De enige vreugde in zijn leven is zingen in het smartlappenkoor, “De Zakdoekjes”.

Even later stoppen ze voor een slagboom. Aan de rechterhand staat een houten huisje. Een jonge vrouw stapt uit het huisje en de wind grijpt gretig haar haren. Ze probeert de haren uit haar gezicht te vegen, tevergeefs. Ze loopt naar Jessica en Manfred toe. “Goodmorning, the fee is one Euro per person. We use the money to make the road. It is a protect area.” “Oké”, zegt Jessica. Ze lacht vriendelijke naar de jonge vrouw. Twee Euro voor het asfalteren lijkt haar een goed plan. Beiden rommelen in hun portemonnee voor euro’s. Jessica betaalt en dan rijden ze verder.

In de weg verschijnen steeds meer gaten en hobbels. Manfred probeert schade te voorkomen aan hun huurauto en manoeuvreert zo veel mogelijk om de gaten heen. Een enkele auto passeert. Zorgvuldig elkaar ontwijkend gaat de reis langzaam verder. De buitenthermometer in de auto wijst 35 graden aan. Onaangenaam heet met nog steeds dezelfde warme wind. Ze passeren geiten, die langs de kant van de weg zich te goed doen aan de paar struikjes. “Stop”, zegt Jessica. “Even een paar foto’s maken.” Snel stapt ze uit de auto. Ze voelt de hitte van de zon op haar hoofd en haar armen. De geiten laten hun best kan zien.

Jessica en Manfred vervolgen hun weg. Even raakt Jessica geïrriteerd over de duur van de tocht. Ze zijn nu al een uur onderweg. Manfred kijkt stoïcijns voor zich uit. Jessica kijkt naar hem en raakt nog meer geïrriteerd. Haar man is volgzaam en laat zich leiden door de dagprogramma’s van haar. Aan de ene kant is het gemakkelijk. Ze kan doen en laten wat ze wil. Aan de andere kant zou ze graag een keer discussie met hem willen hebben. Een beetje vuur in hun relatie. In het begin van hun relatie zocht ze de grenzen op om een discussie uit te lokken Dat heeft ze inmiddels opgegeven. De weg stijgt licht. Op de radio jengelen tonen van een bouzouki en een melancholische stem zingt een Griekse smartlap. Ook daar raakt Jessica geïrriteerd van. Ze drukt met een harde slag de uitknop in met als gevolg een dodelijke stilte. Haar bedrijf in fair trade artikelen loopt goed. Inmiddels heeft ze een behoorlijke financiële reserve opgebouwd. Nu zit ze thuis op de bank. Uitgeput van het harde werken. Ook in haar werk gaat ze tot het uiterste. Ver over haar grenzen.

Van het geschud in de auto is Jessica moe en gelukkig dan is het einde in zicht. De weg eindigt in een parkeerplaats, vol met auto’s. Jessica vraagt zich af waar de mensen zijn. Rechts is een houten hut met een rieten dank. Het is een barretje waar je iets kunt drinken. Links een éénmanspaadje, dat licht slingerend naar boven loopt. Er hangt een bord. Het bord verwijst naar het vervoer per ezel. Helaas, de ezels zijn ook met winter reces. Jessica twijfelt over het bewandelen van het pad. Het is tenslotte al half vier. Ze kijkt naar Manfred. “Kom, laten we het pad opgaan, dan zien we wel waar we terecht komen.” Achter elkaar lopen ze het pad op, Jessica voorop. Haar camera bengelt op haar borst. Enkele mensen passeren op weg naar hun auto’s. De rotsen zijn begroeid met taai, groenig uitziende struiken. De toppen van de bergen zijn kaal. De zon brandt en de wind giert nog steeds om hun oren. Een onherbergzaam oord.

Na 10 minuten lopen bereiken ze een plateau en Jessica staat ademloos te kijken Wat een prachtig uitzicht. Ze staan op een hoogte van ongeveer duizend meter. Het pad loopt stijl naar beneden. Ver beneden hen is een maagdelijk wit strand. Even verder in de zee torent een rots omhoog vanuit de golven. De zee is azuur blauw gekleurd met wel duizend verschillende schakeringen. “Dit is de moeite waard van de vermoeiende reis naar het uiterste puntje.” Even is er een gevoel van samenzijn en samen delen van dit magnifieke uitzicht. Jessica aarzelt. Misschien naar beneden? Dan zegt Jessica: “Dit is nog niet het uiterste puntje, Manfred. Daar wil ik naar toe.” Ze wijst met haar vinger naar links. Manfred zucht.

Ze lopen een eindje terug en wijken af van het éénmanspaadje. Een bordje waarschuwt hen voor gevaar, “danger” staat erop. Jessica negeert het bordje en loopt verder naar het alleruiterste puntje van Kreta. Manfred volgt gelaten en sjokt achter hem aan. Beneden aan de zee staat een wit kerkje met een Grieks blauw dak. Dit kerkje verwelkomt al decennia lang de vissers die veilig terug komen van het vissen. Ook dient dit kerkje als gedenkplaats voor de vissers die verdronken op de ruwe zee. “De goden zijn met u”, denkt Manfred. Langzaam lopen ze verder en verder. Dan eindelijk ver van de parkeerplaats, ver van het tropisch uitziende strand bereiken ze het uiterste puntje van noord west Kreta.

Jessica loopt nog een stukje door, nog verder naar het uiterste puntje. Manfred vlak achter haar. Hij voelt haar warmte, even raakt hij haar aan. Dan stopt Jessica. Ze spreidt haar armen en voelt de wind door haar haren, Ze ruikt de zilte geur van de zee. Haar broek fladdert om haar benen. Het uitzicht is geweldig. De zee is ruw, witte koppen op de golven. Jessica voelt zich een moment vrij en gelukkig, eindelijk de ruimte om te vliegen.

Dan beweegt er iets onder haar voeten, een paar kiezels. Jessica verliest haar evenwicht. Ze zwaait met haar armen, haar lichaam beweegt zich van voor naar achteren, dan weer naar voren. Haar felle kreet splijt de lucht in tweeën. Manfred staat roerloos. Hij doet geen moeite om haar vast te grijpen. Dan is haar warmte weg.

Hester Hoornstra

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone