Bloody Mary

Behendig springt hij op de fiets en rijdt zonder uit te kijken de straat uit. Het is een stille straat en hij weet inmiddels na al die jaren dat er nauwelijks verkeer is. Het miezert en de regen laat de straatstenen glimmen en glinsteren van de nattigheid. Om vaart te maken buigt hij zich voorover met zijn billen naar achteren, zijn knieën licht gebogen. Hij vindt het heerlijk om zo snelheid te maken. Alfred, of Freddie, zo noemde zijn moeder hem, heeft nauwelijks aandacht voor zijn omgeving. De statige herenhuizen aan weerszijden van de straat kent hij tot in de details. Niet interessant meer. Aan het einde van de straat gaat hij rechtsaf. Dat kan bijna niet anders. Er zijn twee keuzes, links of rechtsaf. Alfred rijdt richting het park en gaat dan linksaf. Hij is op weg naar zijn lievelingskroeg, ‘De Zoete Inval’. Elke zaterdag bezoekt hij zijn stamkroeg. Hij kent de kroegbaas van vroeger. Zij zijn beiden even oud. De kroegbaas heet John. Hij heeft lang grijs haar dat hij los draagt tot op zijn schouders. Een kalende kruin en een snor die net als de snor van Dali omhoog wijst naar zijn oren. Onder zijn mond een grijs sikje. John doet zich voorkomen alsof hij van sjieke komaf is, maar dat is niet zo. Hij heeft in zijn jonge jaren in de haven gewerkt als arbeider, lossen van containers en zo. Precies weet Alfred het niet meer. De kroeg heeft hij per toeval ontdekt. Op een avond stappen met vrienden van de studenten sociëteit sloten zij hun avond af in ‘De Zoete Inval’. Hij raakte met John aan de praat en er was direct een klik. John gaf hem een ‘Bloody Mary’ te drinken en vertelde over de oorsprong van de naam van het drankje. “Dat was pas een wijf, Alfred. Een vrouw die over Engeland regeerde en protestanten vermoordde om hun geloof. Vandaar de naam Bloody Mary[1].” John vertelde verder: “Op plaatjes is Mary afgebeeld met een diep decolleté, een kanten randje om haar borsten. Uitdagend. Dat herinner ik me als enige van de geschiedenislessen en het boek waarin de afbeelding stond.”

Na zijn studie stopte Alfred met stappen. Soms had hij heimwee naar het stappen met zijn vrienden. Stiekem droomde hij over Bloody Mary zoals John haar beschreef.

Na zijn studie Medicijnen werkte hij als medisch specialist in het laboratorium van het TNO/R.I.V.M. instituut in Bilthoven. Hij studeerde verder en werd uiteindelijk Hoogleraar, met als specialisatie de papegaaienziekte, een vorm van longontsteking overgebracht door parkieten en papegaaien. Een eenzame baan waarin hij een vooraanstaande positie had in zijn onderzoek naar de ziekte. Het solistische karakter van het werk beviel hem. Soms gaf hij voordrachten en colleges aan studenten. Dat was voor hem minder boeiend.

Alfred houdt niet van mensen. Dit is al heel zijn leven zo. Hij weet niet op welke manier hij contact kan maken en mensen diep in de ogen kijken durft hij niet. Hij kijkt dan snel weg en voelt zich ongemakkelijk. Tot een relatie is het niet gekomen. Met zijn bril met jampotglazen en zijn lange slungelige lijf voelt hij zich opgelaten en ronduit lelijk.

Zijn vader overleed op jonge leeftijd, hij was toen 9 jaar. Alfred is altijd bij zijn moeder blijven wonen. Samen met haar leidde hij een vreedzaam en rustig leven. Zijn moeder was zijn hulphond. Zonder haar wist hij niet wat te doen. Zijn moeder zorgde goed voor hem. Het avondeten stond precies om zes uur voor hem klaar. Zijn moeder waste zijn kleding en legde deze ’s avonds op zijn bed voor de volgende ochtend. Bij de paar belangrijke gebeurtenissen in zijn leven nam hij haar mee. Zij zorgde ervoor dat er geen onverwachte dingen gebeurden. Precies goed, zoals hij het prettig vond. Twee jaar terug overleed zijn moeder, vrij plotseling. Alfred zette zijn leven voort zoals hij dat leerde van zijn moeder.

Alfred’s grootste droom is een motorfiets. In 1961 kwam er een sprintmotorfiets op de markt, genoemd naar Bloody Mary. Deze motor had een Harley Davidson frame en een Chevrolet motor. Hij hield van het hard ronkende geluid van de motor. De motor was te koop in de kleur rood en hij stelde zich voor hoe hij op deze stoere Bloody Mary stapte en met hard ronkend geluid wegreed, de straat uit, de wijde wereld in. Hij was 15 jaar en nog te jong voor een motor en zijn moeder gaf hem in plaats van een ‘Bloody Mary’ een fiets cadeau, een rode mountainbike. Dat was veiliger dan een motor. Een compromis van zijn moeder tussen een gewone fiets en de zo door Alfred gewenste motor.

Zijn leven samen met zijn moeder was er één van regelmaat, rust en reinheid. De drie R’en zoals zijn moeder hem leerde. “Heel belangrijk, Freddie”, zei ze dan en zette hierbij grote ogen op en een stak een waarschuwend vingertje op. Haar haren waren strak naar achteren in een klein knotje weg gestoken en haar woorden kort en bondig. Samen leven vonden ze prima. Zijn moeder wilde dat hij bij haar bleef en dat beloofde hij haar. Vrouwen waren onbetrouwbaar en schandelijk in hun bloesjes waar de bollingen van hun borsten net te zien waren. Ze sprak haar afschuw uit over de te korte rokken, de ‘smokey-eyes’, de rode lippen en hun uitdagende houdingen. Eens was hij verleid door zo’n vrouw. Hij vond het spannend en de opwinding vibreerde door zijn lijf. Gevoelens die hij niet kende. De jonge vrouw raakte hem aan, ook op plekken waar zijn moeder hem, toen hij klein was, voor het laatst had aangeraakt. Dat was om te wassen en nu? Hij was in de war en angstig. De waarschuwing van zijn moeder hoorde hij in zijn slimme brein. Snel was hij weg gegaan met zweet in zijn handen, in paniek en de opwinding nog natrillend in zijn lijf.

Na het overlijden van zijn moeder twee jaar terug kocht hij een helm. De verkoper in de fietsenwinkel liet hem verschillende helmen zien. Hij koos voor de meest veilige. Eentje die ook wielrenners droegen. De helm leek nog het meest op een groot ei, met snelheidsstrepen. Hij koos voor een rode helm. Nu overkwam hem niets meer.

De regen stopt en hij arriveert bij zijn stamkroeg. Soms hindert de lange jas hem op de fiets. In een korte jas voelt hij zich ongemakkelijk. Eens had hij een korte jas. Dat was in zijn pubertijd. Meisjes keken naar hem en wezen naar zijn magere, knokige benen. Hij voelde zich gekwetst en lelijk. Sindsdien draagt hij lange jassen. Behendig springt hij van zijn fiets af en loopt door de open deur de kroeg binnen. Hij begroet John en weet dat hij binnen vijf minuten zijn drankje krijgt. Het is druk in de kroeg. Er zit een gezelschap van zeven mensen aan twee tafeltjes. De mannen drinken Brugse Zot[2] en de dames witte wijn. Ze lachen luid en maken wilde gebaren. Hij vindt het vervelend en gaat voorin de kroeg zitten met uitzicht op de straat. Naast hem zit een jonge vent en ze raken aan de praat over de gebeurtenissen in de wereld. Dit vindt hij een prettig gesprek. Een heerlijkheid om de wereldse problemen uiteen te rafelen en hij geeft gratis en voor niets zijn filosofische mening. John komt aanlopen met zijn drankje. Alfred geeft John een hand en dan is hij gerustgesteld. De enige kameraad die hij heeft. John zet het glas met het rietje voor Alfred neer en dan drinkt hij zijn Bloody Mary, één glas meer niet. “Overdaad schaadt, Freddie”, hoort hij zijn moeder zeggen.

Dan wenkt hij naar John en John neemt het pin apparaat mee. Hij weet dat Alfred wil pinnen en zoals altijd helpt hij Alfred met het insteken van de bankpas en het invoeren van de pincode. Dan neemt hij afscheid van John en de jonge man. Hij loopt naar buiten en zet voorzichtig zijn helm op. Hij springt behendig op zijn fiets. Ook nu kijkt hij niet uit. Hij begint op zijn eigen manier snelheid te maken. De straatstenen zijn nog glimmend nat van de regen. Nu is Alfred op snelheid en hij trapt nog een tandje sneller. Hij houdt ervan om snelheid te maken, nog sneller. Zo snel als de ‘Bloody Mary’, haast roekeloos. De spanning in zijn lijf stijgt door de adrenaline. Opeens kan hij niet meer zo snel. Het lijkt wel of zijn wiel stagneert. Alfred probeert door te trappen. Het zweet breekt hij uit, paniek giert door zijn lijf. Hij kijkt omlaag, naar achteren. Hij ziet dat een punt van zijn lange jas in de spaken is komen te zitten. Hij slingert en probeert af te stappen. Hij hoort een auto toeteren. Omstanders schreeuwen: “Kijk uit!” Alfred voelt hoe hij valt.

Hij ziet een klok aan de muur, het is vier uur ’s middags. Alfred voelt zich suf, draaierig in zijn hoofd. Langzaam kijkt hij om zich heen en ziet naast hem een zak hangen. Vanuit de zak loopt een slangetje naar zijn hand. “Dit is een infuus”, denkt Alfred. “Waar ben ik? In het ziekenhuis?” Dan hoort hij bliepjes en hij kijkt naar rechts. Een groot scherm hangt naast hem en hij registreert dat de bewegende gekleurde lijntjes zijn bloeddruk weergeeft. “Ah, bent u uitgeslapen?”, vraagt een verpleegkundige vriendelijk, die Alfred wakker ziet.  “Hoe lang ben ik hier al? Enne wat is er gebeurd?” vraagt hij. “U hebt een ongeluk gehad met uw fiets en bent geraakt door een auto. U hebt geluk gehad, echt geluk. Nu hebt u een gescheurde milt, een paar botbreuken en een hersenschudding. Als gevolg van de hersenschudding lag u in coma, al twee weken. En gelukkig bent u nu wakker.” Alfred is verbaasd en geschrokken. “Zo lang in coma!” Hij is in de war en langzaam, heel langzaam, komen de herinneringen terug…. De valpartij, de natte straatstenen, omstanders die waarschuwen en het gierende piepen van de remmen van een auto. Het had heel ernstig kunnen aflopen.

Het herstel van Alfred’s botbreuken verloopt gestaag. Hij heeft alle tijd om over zijn leven na te denken. Het vroege overlijden van zijn vader. Hij was toen 9 jaar oud. De strikte opvoeding van zijn moeder en al haar waarschuwingen voor de gevaren in de wereld en in het leven. Alfred begint vraagtekens te zetten bij de boodschappen van zijn moeder. Hoe komt het dat hij geen vrouw en gezin heeft. Dat intimiteit hem beangstigt en dat zijn wereld zo klein is. “Het kan toch anders?”, vraagt hij zichzelf af. Hij besluit een andere koers te varen. Alfred besluit zich open te stellen voor nieuwe uitdagingen.

Zodra het kan, springt Alfred nog niet zo behendig op zijn fiets. Hij verlangt naar John en wil hem zijn nieuwe plannen vertellen. Snel fietst hij naar zijn vertrouwde kroeg ‘De Zoete Inval’. John begroet hem blij en verrast. Hij miste Alfreds wekelijkse bezoek. Van een bekende hoorde hij dat Alfred een ongeluk had met een auto. Deze had alles gezien. John brengt Alfred snel zijn drankje, de Bloody Mary. “John”, zegt Alfred, “ik heb nagedacht. Ik ga mijn leven anders inrichten. Ik ben nog te jong, bijna 70, om alleen thuis te zijn. Ik mis een maatje, een vriendin. Ik heb mijn “Bloody Mary’s” gemist. Het is nog niet te laat om een motor aan te schaffen. En het is nog niet te laat om een relatie aan te gaan met een vrouw met mooie rondingen. Vind je niet?”, vraagt hij John. John grijnst een mooie lach en de punten van zijn snor reiken tot ver voorbij zijn oren. “Zeker, het is nog niet te laat! Het is nooit te laat om te veranderen!”

Hester Hoornstra

IJsselstein, 4 januari 2016

 

[1] Maria Tudor, Koningin van Engeland (* 18-02-1516 – + 17-11-1558). Bijnamen ‘de Katholieke’ en ‘Bloody Mary’
[2] Een Belgisch speciaal bier

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone